Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, eigenaar van zeven garageboxen met een gezamenlijk dak, maakte bezwaar tegen de opgelegde rioolheffingsaanslagen voor 2015. De garageboxen zijn via afvoerpijpen indirect aangesloten op de gemeentelijke riolering en kunnen afzonderlijk worden verhuurd. De rechtbank stelt vast dat op grond van de gemeentelijke Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing elke garagebox als afzonderlijk perceel wordt aangemerkt, waardoor voor elke box een aparte aanslag terecht is opgelegd.
Belanghebbende voerde aan dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat naastgelegen woningen met vergelijkbare of grotere percelen slechts één aanslag kregen, terwijl voor elke garagebox afzonderlijk werd geheven. Ook stelde hij dat de garageboxen geen afvalwater afvoeren, wat een ander tarief zou rechtvaardigen. De rechtbank oordeelde dat de rioolheffing wordt geheven per perceel dat direct of indirect is aangesloten en dat bijgebouwen zonder eigen kadastrale aanduiding niet als afzonderlijke onroerende zaken gelden.
Verder wees de rechtbank erop dat de gemeenteraad eenzelfde tarief hanteert voor woningen inclusief bijgebouwen en garageboxen, wat niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Het verschil in gebruik tussen woningen en garageboxen is in de Verordening verwerkt door een aparte gebruikersbelasting voor afvalwater bij woningen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de rioolheffing terecht per garagebox als afzonderlijk perceel is opgelegd.