Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan hetgeen is ten laste gelegd;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 17 mei 2014 is het slachtoffer door een onbekend gebleven man met een machete meerdere keren geslagen, waarbij hij verwondingen opliep. Verdachte werd verdacht van medeplegen van deze mishandeling en poging tot doodslag, maar ontkende kennis van het wapen en het geweld.
Tijdens de zitting op 26 april 2016 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs voor nauwe samenwerking tussen verdachte en de dader. De verdediging ondersteunde deze eis en voerde aan dat verdachte niet wist van het mes en direct vluchtte toen hij het zag.
De rechtbank oordeelde dat de Turkse man die het mes hanteerde als dader moet worden aangemerkt. Er is echter onvoldoende bewijs dat verdachte bewust en nauw met deze man heeft samengewerkt. Verdachte heeft geen uitvoeringshandelingen verricht en was niet op de hoogte van het geweldsplan. Daarom wordt verdachte vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.
De benadeelde partij vorderde schadevergoeding, maar wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte is vrijgesproken. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden ingediend.
De rechtbank heft tevens het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op en spreekt verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van nauwe en bewuste samenwerking met de dader die het slachtoffer met een machete heeft verwond.