Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afdracht van de crisisheffing over maart 2013, een zogenoemde pseudo-eindheffing voor hoge lonen, welke zij op aangifte heeft voldaan. Het bezwaar werd door de inspecteur afgewezen, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het geschil inhoudelijk beoordeeld aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016, waarin werd geoordeeld dat de crisisheffing een wettelijke grondslag heeft in de Wet op de loonbelasting 1964 en niet in strijd is met het recht op ongestoord genot van eigendom, het gelijkheidsbeginsel of discriminatieverboden uit het EVRM en IVBPR.
Belanghebbende stelde dat de heffing in haar geval een onevenredige last zou vormen, maar kon dit niet concreet onderbouwen. De rechtbank concludeerde dat de door belanghebbende overgelegde financiële gegevens geen aanwijzingen geven voor een excessieve last. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2016.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de crisisheffing loonbelasting 2013 wordt ongegrond verklaard.