Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, rekeninghouder van Zwitserse bankrekeningen, heeft voor de jaren 2002 tot en met 2011 geen tegoeden in haar aangiften IB/PVV opgenomen. Na een vrijwillige inkeermelding in mei 2014 volgden verzoeken om aanvullende informatie en pogingen tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, die niet tot overeenstemming leidden. Vervolgens legde de inspecteur navorderingsaanslagen op.
De rechtbank beoordeelt of de inspecteur bij het opleggen van deze aanslagen voldoende voortvarend heeft gehandeld en of de heffingsrente over de juiste periode is berekend. De rechtbank gaat ervan uit dat Europeesrechtelijke beginselen onverkort van toepassing zijn op de Zwitserse tegoeden.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur niet langer dan zes maanden heeft stilgezeten en dat het tijdsverloop tussen de inkeermelding en de aanslagen gerechtvaardigd is door de noodzaak tot het verkrijgen van aanvullende informatie en het voeren van overleg. De heffingsrente is volgens de rechtbank correct berekend over de volledige periode, aangezien de situatie niet vergelijkbaar is met een verzoek om voorlopige aanslag.
De beroepen worden ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen en heffingsrente worden ongegrond verklaard.