ECLI:NL:RBZWB:2016:3342

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 mei 2016
Publicatiedatum
7 juni 2016
Zaaknummer
BRE - 15 _ 6225
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 234 GemeentewetArtikel 2 Verordening parkeerbelastingen gemeente X 2015Artikel 3 Verordening parkeerbelastingen gemeente X 2015Artikel 11 Wet van 15 mei 1829
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens ontbreken geldig betaalbewijs

Belanghebbende parkeerde op 7 juli 2015 zijn auto zonder geldig betaalbewijs op een parkeerplaats waar parkeerbelasting verschuldigd was. De heffingsambtenaar legde een naheffingsaanslag op, welke door belanghebbende werd bestreden met het argument dat zijn spreekuur als huisarts was uitgelopen en hij daardoor geen tijd had om een parkeerkaartje te kopen.

De rechtbank oordeelt dat deze omstandigheden geen uitzondering vormen op de verplichting tot betaling van parkeerbelasting. Ook het feit dat belanghebbende een bordje in de auto had met de mededeling dat hij visite liep, wat niet waar was, is geen geldig argument om de naheffingsaanslag te vernietigen.

De wet en de gemeentelijke verordening bieden geen ruimte om op grond van redelijkheid en billijkheid de heffing achterwege te laten. De rechtbank benadrukt dat zij de inhoud en billijkheid van de wet niet mag toetsen, maar slechts de rechtmatigheid van het besluit. Gezien het ontbreken van een geldig betaalbewijs is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en wordt het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 15/6225
uitspraak van 24 mei 2016
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de [gemeente X],
de heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de heffingsambtenaar van 13 augustus 2015 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (aanslagnummer [aanslagnummer]).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2016 te Middelburg.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de heffingsambtenaar,
[verweerder].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.
Op 7 juli 2015 heeft belanghebbende zijn auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de [adres] te [plaats X] op een plaats die bij gemeentelijke verordening is aangewezen als een plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting geparkeerd mag worden.
2.2.
Door parkeercontroleurs is om 12:31 uur geconstateerd dat er geen parkeerbelasting was voldaan. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is ongegrond verklaard.
2.3.
Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Niet in geschil is dat belanghebbende op de betreffende datum de personenauto zonder geldig betaalbewijs heeft geparkeerd op een parkeerplaats alwaar op het betreffende tijdstip parkeerbelasting was verschuldigd.
2.4.
Op grond van het bepaalde in artikel 225 en Pro 234 van de Gemeentewet kan een gemeente een parkeerbelasting instellen. Krachtens de Verordening parkeerbelastingen [plaats X] 2015 (hierna: de Verordening) heeft de [gemeente X] een zodanige heffing ingesteld. In artikel 2, aanhef en eerste lid, van de Verordening is bepaald:
“Onder de naam ‘parkeerbelastingen’ worden de volgende belastingen geheven:
1.een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; (…)”.
De verschuldigde belasting wordt ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.
2.5.
De bewijslast dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd rust op de heffingsambtenaar. Nu vaststaat dat belanghebbende zonder geldig betaalbewijs heeft geparkeerd op een parkeerplaats alwaar op het betreffende tijdstip parkeerbelasting was verschuldigd is de naheffingsaanslag in overeenstemming met de Verordening opgelegd.
2.6.
Belanghebbende stelt dat zijn spreekuur als huisarts was uitgelopen en dat hij geen tijd had om een parkeerkaartje te kopen omdat hij te laat was voor een bespreking op het gemeentehuis. De rechtbank ziet niet in waarom dat een uitzondering op de verplichting tot betaling van parkeerbelasting zou rechtvaardigen. Belanghebbende had een bordje in de auto dat hij visite liep maar dat was niet waar en dat is overigens evenmin een argument om geen parkeerbelasting te betalen.
2.7.
De wet biedt geen ruimte om op grond van redelijkheid en billijkheid heffing achterwege te laten. Als wordt geparkeerd op een plaats die is aangewezen als een plaats waar met parkeerbelasting mag worden geparkeerd, dan moet parkeerbelasting worden voldaan. Indien deze parkeerbelasting niet is voldaan dan wordt de verschuldigde parkeerbelasting nageheven.
2.8.
Voor zover belanghebbende met zijn stelling de redelijkheid van de wettelijke bepaling ter discussie stelt merkt de rechtbank het volgende op. De rechter dient, gelet op artikel 11 van Pro de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb 1822, 10 en Stb 1829, 28), volgens de wet recht te spreken en mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. De wet - in dit geval de Gemeentewet – biedt de gemeente de mogelijkheid tot het heffen van parkeerbelasting zonder rekening te houden met de reden van parkeren en een reden voor het niet voldoen van parkeerbelasting. De Verordening is in overeenstemming met de wet en de inhoud daarvan staat dan niet ter beoordeling aan de rechter.
2.9.
Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.
2.10.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 24 mei 2016 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van
mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.