Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de onder 1 en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Deze strafzaak betreft een dodelijk bedrijfsongeval op 1 april 2011 bij de kunstmestfabriek Ureum 7 te Sluiskil, waarbij twee werknemers om het leven kwamen door blootstelling aan een zuurstofarme atmosfeer en formeergas in tank SD 7307.
De Duitse hoofdaannemer, verantwoordelijk voor het project, werd beschuldigd van het nalaten van adequate veiligheidsmaatregelen en het laten betreden van de tank door werknemers zonder voorafgaande metingen of vergunningen. De rechtbank onderzocht de contractuele verantwoordelijkheden, veiligheidsinstructies, en de feitelijke omstandigheden rondom het incident.
Uit het dossier bleek dat de slachtoffers tegen veiligheidsvoorschriften in de tank waren binnengedrongen zonder vergunning en zonder aanwezigheid van een mangatwacht. De hoofdaannemer had veiligheidsinstructies gegeven, toolboxmeetings gehouden, en waarschuwingsborden geplaatst. Er was geen bewijs dat de hoofdaannemer expliciet opdracht had gegeven tot het betreden van de tank of dat zij de gevaren onvoldoende had onderkend.
De rechtbank concludeerde dat de hoofdaannemer niet met aanmerkelijke mate van verwijtbare onzorgvuldigheid had gehandeld en sprak haar vrij van alle ten laste gelegde feiten. De dood van de werknemers werd niet aan de schuld van de hoofdaannemer toegerekend.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van schuld aan het dodelijk bedrijfsongeval wegens onvoldoende bewijs van verwijtbare onzorgvuldigheid.