Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende had stamrechtuitkeringen van een BV als vordering op die BV laten bijschrijven, terwijl de BV onvoldoende vermogen had om deze vorderingen af te lossen. De rechtbank stelt vast dat de vordering niet tegen nominale waarde belast kan worden omdat geen sprake was van een daadwerkelijke uitkering in geld en de vordering slechts gedeeltelijk gedekt was door de activa van de BV.
De rechtbank berekent de waarde van de vordering in het economische verkeer met een discount van 10% op basis van de mate van dekking door de activa, wat leidt tot een lagere belastbare grondslag dan de nominale waarde. Hierdoor zijn de aanslagen inkomstenbelasting voor 2010 en 2011 te hoog vastgesteld.
Echter, de rechtbank wijst het verzoek om ambtshalve vermindering af omdat belanghebbende de vordering ten onrechte niet had aangegeven in box 3, en de niet betaalde belasting in box 3 hoger is dan de terug te geven belasting in box 1. De rechtbank concludeert dat de beroepen ongegrond zijn en dat de aanslagen niet worden verminderd.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen wordt afgewezen.