Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 1.130,--(2,5 x tarief II, € 452,--)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen, voormalig gehuwd, zijn betrokken bij een procedure over het verzet tegen een verleend exequatur van een Belgisch vonnis uit 1995 betreffende alimentatiebetalingen voor hun zoon en partneralimentatie.
De man betoogt primair dat de beschikking is verjaard en subsidiar dat het exequatur is afgeschaft door de Alimentatieverordening. Meer subsidiair stelt hij dat de partneralimentatie niet erkend mag worden en dat tenuitvoerlegging in strijd is met de Nederlandse rechtsorde. De vrouw voert verweer dat het EEX-Verdrag van toepassing is, de beschikking niet verjaard is, en dat het verzoek uitsluitend ziet op de bijdrage voor de zoon.
De rechtbank oordeelt dat de Alimentatieverordening niet van toepassing is omdat de beschikking van vóór 2010 dateert en dat het EEX-Verdrag geldt. Tenuitvoerlegging kan slechts worden geweigerd op grond van openbare orde of andere in het verdrag genoemde gronden. Omdat de man tot 2013 betalingen heeft gedaan, is verjaring niet aan de orde. Wel is het verlof tot tenuitvoerlegging beperkt tot de bijdrage voor de zoon, omdat het verzoek daartoe beperkt was. Het verzet tegen de partneralimentatie is gegrond. De man wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzet wordt deels gegrond verklaard door het exequatur te beperken tot de bijdrage in de kosten van de zoon; het overige verzet wordt afgewezen.