Uitspraak
1.De procedure
2.Het standpunt van de verdediging
3.Het standpunt van de officier van justitie
4.Het oordeel van de rechtbank
zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene werd op 15 oktober 2013 veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. Het Openbaar Ministerie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De eerste ontnemingsvordering, gedateerd 18 september 2015, werd weliswaar tijdig betekend maar ontbrak een oproeping voor een zitting en was niet aanhangig gemaakt bij de rechtbank.
De tweede vordering van 10 juni 2016 bevatte wel een oproeping en was aanhangig gemaakt, maar werd na de fatale termijn van twee jaar na het eindvonnis ingediend. De verdediging stelde op niet-ontvankelijkheid omdat de eerste vordering niet voldeed aan de wettelijke eisen en de tweede te laat was.
De rechtbank oordeelde dat de wet vereist dat een ontnemingsvordering binnen twee jaar na het eindvonnis aanhangig moet worden gemaakt bij de rechtbank en vergezeld moet zijn van een oproeping. De eerste vordering voldeed hier niet aan, de tweede was te laat. Gezien het belang van rechtszekerheid en voortvarendheid verklaarde de rechtbank het OM niet-ontvankelijk in de vordering.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering wegens niet tijdige en niet correcte aanhangigmaking binnen de wettelijke termijn.