ECLI:NL:RBZWB:2016:4843
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht: weerlegging rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst
Eiser vordert betaling van achterstallig vakantiegeld en incassokosten op grond van een vermeende arbeidsovereenkomst met gedaagde die liep van september 2006 tot augustus 2014. Gedaagde betwist het bestaan van een arbeidsovereenkomst en stelt dat er sprake was van een overeenkomst van opdracht, waarbij onder meer geen gezagsverhouding bestond en eiser niet persoonlijk verplicht was te werken.
De rechtbank past artikel 7:610a BW toe, dat een weerlegbaar rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst inhoudt indien iemand arbeid verricht. Gedaagde heeft dit vermoeden succesvol weerlegd door aan te tonen dat partijen niet de bedoeling hadden een arbeidsovereenkomst aan te gaan, mede omdat eiser zijn WW-uitkering zou verliezen bij een arbeidsovereenkomst.
Daarnaast is vastgesteld dat eiser geen persoonlijke verplichting had om te werken, niet werd doorbetaald tijdens ziekte of vakantie, en dat er geen gezagsverhouding bestond. De enkele aanwijzingen in mails zijn onvoldoende om een gezagsverhouding aan te nemen.
De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af omdat het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst is weerlegd.