Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Zitting en verdere verloop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de hoogte van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase centraal in 212 vergelijkbare zaken van 84 belanghebbenden met dezelfde gemachtigde. De bezwaren betreffen de verschuldigdheid van btw over het privégebruik van auto's in de jaren 2005-2010. De inspecteur heeft per belanghebbende een forfaitaire vergoeding van €243 toegekend, terwijl belanghebbenden een vergoeding per individuele zaak vorderen, primair op basis van werkelijke kosten.
De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid, aangezien de gunstiger uitkomst voor belanghebbenden voortvloeit uit het Besluit van 11 juli 2012 en niet uit onrechtmatige regelgeving of handelen. Wel is de inspecteur gebonden aan zijn uitlatingen dat recht bestaat op een kostenvergoeding. De rechtbank maakt onderscheid tussen oude en nieuwe samenhangregels, afhankelijk van de datum van uitspraak op bezwaar.
Voor zaken met oude samenhangregels (uitspraken in 2014 of beslissingen in 2015) is per jaar één gezamenlijk bezwaarschrift ingediend, wat samenhang impliceert en rechtvaardigt dat de forfaitaire vergoeding per belanghebbende niet te laag is. Voor zaken met nieuwe samenhangregels (uitspraken in 2015) is sprake van gelijktijdige behandeling en nagenoeg identieke werkzaamheden, waardoor een vergoeding per individuele zaak onredelijk hoog zou zijn.
Gezien het grote aantal zaken, het uniforme karakter van de werkzaamheden en het feit dat de vergoeding een tegemoetkoming in de werkelijke kosten betreft, acht de rechtbank de toegekende forfaitaire vergoeding passend. De beroepen worden ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat de forfaitaire kostenvergoeding van €243 per belanghebbende passend is.