Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een uitzendbureau, stelde een woning ter beschikking aan haar Poolse werknemers voor huisvesting. De heffingsambtenaar legde een aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten op, omdat de woning niet als woonruimte maar als bedrijfsruimte werd aangemerkt. De kern van het geschil betrof de kwalificatie van de woning voor de heffingsgrondslag.
De rechtbank overwoog dat de woning niet was ingericht als afzonderlijke woonruimten en dat de groep werknemers geen gezin of daarmee gelijk te stellen leefeenheid vormde. Jurisprudentie van de Hoge Raad werd aangehaald, waarin is bepaald dat voor de heffing slechts zelfstandige woonruimten of leefeenheden met gezinskenmerken in aanmerking komen.
De rechtbank concludeerde dat de woning, gelet op het ontbreken van sociale cohesie en het gezamenlijk gebruik van sanitaire voorzieningen zonder verdere bindende factoren, niet als woonruimte kon worden aangemerkt. Daarom moest de woning worden beschouwd als bedrijfsruimte conform de Verordening op de heffing en invordering van zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2014.
De aanslag was terecht opgelegd en het beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De woning wordt aangemerkt als bedrijfsruimte en de aanslag zuiveringsheffing wordt bevestigd.