Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een dochtermaatschappij binnen een fiscale eenheid, heeft bezwaar gemaakt tegen de afdracht van de crisisheffing over de jaren 2013 en 2014, waarbij zij stelde dat de heffing niet strookt met de Wet op de loonbelasting 1964 en diverse fundamentele rechten.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de Wet op de loonbelasting een voldoende wettelijke basis biedt voor de crisisheffing, conform de arresten van de Hoge Raad van 29 januari 2016. Daarnaast is geoordeeld dat de crisisheffing niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, aangezien geen sprake is van een individuele buitensporige last gezien de financiële positie van belanghebbende.
Verder faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat de door de wetgever gekozen criteria voor de crisisheffing niet evident onredelijk zijn en binnen de ruime beoordelingsmarge vallen. Het beroep op het EU-Handvest wordt verworpen omdat de crisisheffing buiten het toepassingsgebied van het Unierecht valt.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de crisisheffing loonbelasting over 2013 en 2014.