Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.[voornamen curator] WAGEMAKERS
N.V. EBCON HOLDING,
[voornamen curator] WAGEMAKERS
N.V. EBCON NETWORKS,
1.De procedure
- het vonnis in incident van 24 september 2014 van de rechtbank Midden-Nederland en de daarin vermelde stukken
- de conclusie van antwoord, tevens houdende incident tot beroep op verjaring en rechtsverwerking, met producties
- de conclusie van repliek in de hoofdzaak, tevens conclusie van antwoord in het incident, met producties
- de conclusie van dupliek, tevens houdende conclusie van repliek in het incident, met producties
- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.
2.Het geschil
in de hoofdzaak
3.De beoordeling
in de hoofdzaak en in het incident
zodra hij na deugdelijk onderzoek heeft vastgesteld dat er sprake is van ernstige misstappen van de bestuurders, kortom dat er sprake is van materieel onbehoorlijk bestuur, hetgeen derhalve iets anders en meer is dan het min of meer fictief onbehoorlijk bestuur als gevolg van bijvoorbeeld verzuim van de deponeringsplicht”. Daarmee geeft de curator er blijk van dat hij volgens hem pas een rechtsvordering kan of mag instellen als na onderzoek vaststaat dat hij aan zijn stelplicht in het kader van artikel 2:138 lid 1 BW Pro kan voldoen, daarbij artikel 2:138 lid 2 BW Pro en het daarmee beoogde doel uit het oog verliezend. De vraag op welk tijdstip de curator op grond van regels voor zijn beroepsgroep een procedure mag starten dient te worden onderscheiden van de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn van de rechtsvordering aanvangt. Het antwoord op die laatste vraag wordt gevonden door toepassing van het recht. Daarbij behoort ook het belang van rechtszekerheid voor [gedaagde] te worden betrokken. Wat betreft de verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 5 november 2014 in de zaak “Vilenzo” volstaat de rechtbank met de constatering dat de beoordeling in deze zaak van de curator tegen [gedaagde] een andere uitkomst heeft dan in de door de curator genoemde zaak.