Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Overwegende dat:
3.Geschil
4.Toepasselijke wetgeving (teksten 2008-2011)
aals de onder
bbedoelde leerweg.
atot en met
e, richten zich op de kwalificatie voor opeenvolgende niveaus van beroepsuitoefening, waarbij de assistentopleiding is gericht op het eerste en de middenkaderopleiding en de specialistenopleiding op het vierde en hoogste niveau van beroepsuitoefening.
c, bedoelde deel van de eindtermen heeft gerealiseerd. Het bevoegd gezag betrekt bij die beoordeling het oordeel van het bedrijf onderscheidenlijk de organisatie, met inachtneming van de desbetreffende in de onderwijs- en examenregeling op te nemen regels.
5.Beoordeling van het geschil
6.Proceskosten
7.Beslissing
- verklaart het beroep met zaaknummer 14/3465 gegrond voor zover het betrekking heeft op de boetebeschikking;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikking;
- vernietigt de boetebeschikking;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de Minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.732;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 328 aan haar vergoedt.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: