ECLI:NL:RBZWB:2016:6776
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen maatregel verlaging bijstandsuitkering wegens niet aanvaarden schoonmaakwerk
Verzoeker, een bijstandsontvanger, maakte bezwaar tegen een maatregel van het college van burgemeester en wethouders van Breda waarbij zijn uitkering met 100% werd verlaagd voor twee maanden wegens het niet aanvaarden of behouden van schoonmaakwerk, algemeen geaccepteerde arbeid.
Verzoeker stelde dat hij vanwege zijn geloofsovertuiging niet in aanraking wil komen met voor consumptie bedoelde alcohol en daarom bepaalde werkzaamheden weigerde. Hij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat deze bezwaren zo zwaarwegend zijn dat hij niet verwijtbaar is. Het college stelde dat verzoeker feitelijk niet met de werkzaamheden is begonnen of er snel mee gestopt is.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college de maatregel terecht heeft opgelegd. De persoonlijke geloofsovertuiging van verzoeker geeft niet zonder meer recht op afwijking van de algemene wettelijke voorschriften. Ook het deelnemen aan een leerwerktraject vormt geen aanleiding voor toepassing van de inkeerregeling, omdat dit niet leidt tot een uitkeringsonafhankelijke situatie.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel naar verwachting in stand zal blijven en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er zijn geen dringende redenen om van de maatregel af te zien en de financiële gevolgen voor verzoeker zijn niet uitzonderlijk.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen verlaging bijstandsuitkering wegens niet aanvaarden schoonmaakwerk wordt afgewezen.