ECLI:NL:RBZWB:2016:6798

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 oktober 2016
Publicatiedatum
31 oktober 2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7271
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:5 AwbArt. 7:1 AwbArt. 19 Invorderingswet 1990
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd inzake voorlopige voorziening tegen inning belastingschulden

Belanghebbenden hebben een verzoek ingediend tot een voorlopige voorziening om de tijdelijke stopzetting van loonbeslagen te bewerkstelligen. Dit verzoek is gedaan in het kader van een lopende bodemprocedure tegen de inning van belastingschulden.

De voorzieningenrechter beoordeelt dat de invordering van belastingschulden en de daarmee samenhangende loonbeslagen zijn geregeld in de Invorderingswet 1990. Op grond van de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder artikel 8:5 Awb Pro in samenhang met artikel 7:1 Awb Pro en de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, is de bestuursrechter niet bevoegd om over dit soort besluiten te oordelen.

Omdat artikel 19 van Pro de Invorderingswet niet is opgenomen in de uitzonderingen die bestuursrechterlijke toetsing mogelijk maken, kan de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening treffen. Belanghebbenden worden daarom geadviseerd zich tot de civiele rechter te wenden voor geschillen over de inning van belastingschulden en loonbeslagen.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van deze conclusie op basis van de overgelegde stukken en maakt gebruik van artikel 8:83, derde lid, Awb om zonder zitting uitspraak te doen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd en wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 16/7271
uitspraak van 12 oktober 2016
Uitspraak als bedoeld in titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbenden], wonende te [woonplaats] ,
belanghebbenden,
en
de ontvanger van de Belastingdienst,
de ontvanger.

1.Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.

2.Verzoeken

Belanghebbenden verzoeken de voorzieningenrechter om tijdelijke stopzetting van de loonbeslagen.

3.Karakter voorlopige voorziening

3.1.
De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, ook wel bodemprocedure genoemd, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Awb gelden daarbij als voorwaarden dat tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit een bezwaar- of beroepsprocedure loopt (vereiste van connexiteit) en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.
3.2.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

4.Beoordeling van de verzoeken

4.1.
Belanghebbenden zijn bij digitaal ingediend beroep op 7 september 2016 in beroep gekomen. Hierbij willen zij “
ook[..]
een voorlopige voorziening aanvragen zodat het loonbeslag tijdelijk word stopgezet tot de belastingdienst alles op een rijtje heeft”. Het beroep is geregistreerd onder zaaknummer 16/7270 en wordt hierna de bodemprocedure genoemd.
4.2.1.
De bezwaren van belanghebbenden in zowel de bodemzaak als in het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening, zijn enkel gericht tegen de inning van belastingschulden en de in verband daarmee gelegde loonbeslagen.
4.2.2.
De invordering van belastingschulden wordt geregeld in de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) en de loonbeslagen vinden hun grondslag in artikel 19 van Pro de IW. Gelet op artikel 19, vijfde lid, van de IW geschiedt de vordering bij beschikking. In artikel 8:5 van Pro de Awb in samenhang gelezen met artikel 7:1 van Pro de Awb, is echter bepaald dat geen bezwaar en beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van Pro de bij die wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. In dat artikel 1 staat Pro onder meer de IW genoemd met als uitzondering het bepaalde in de artikelen 30, 49 en 62a van die IW. Nu artikel 19 van Pro de IW niet is genoemd bij die uitzonderingen, is de bestuursrechter niet bevoegd een beslissing te nemen met betrekking tot de onderhavige invordering van belastingschulden en de in verband daarmee gelegde loonbeslagen.
4.2.3.
De voorzieningenrechter is derhalve evenmin bevoegd een voorziening te treffen in geschillen over de inning van belastingschulden en de daarmee verband houdende loonbeslagen. Belanghebbenden zullen zich voor dit soort voorzieningen en geschillen tot de civiele rechter moeten wenden.
4.3.
In de stukken die belanghebbenden, op verzoek van de rechtbank, in de bodemprocedure (BRE 16/7270) hebben overgelegd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding anders te beslissen. Deze stukken hebben immers eveneens enkel betrekking op de inning van belastingschulden zoals het toepassen van de overheidsvordering, de loonbeslagen en wijzigingen van de beslagvrije voet. Hetgeen is overwogen in 4.2.2 is daarop eveneens van toepassing.
4.4.
Nu over de onbevoegdheid van de voorzieningenrechter in redelijkheid geen twijfel mogelijk is, kan ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak worden gedaan zonder dat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen.
4.5.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 12 oktober 2016 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzieningenrechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. van Ooijen, griffier.
De griffier, De voorzieningenrechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.