Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 10;
- het verweerschrift tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek met producties 1 tot en met 5;
- de door mr. Struijk bij brief van 8 september 2016 aan de rechtbank toegezonden producties 11 tot en met 16;
- de bij brief van 14 september 2016 door mr. P. van Huizen namens [verweerster] aan de rechtbank toegezonden productie 6;
- de mondelinge behandeling en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitaantekeningen van mr. Struijk.
2.Het verzoek
3.De beoordeling
“De leuning aan de lange kant van de trap is in de derde week van 2014 geplaatst. De leuning die bedoeld was te worden bevestigd aan het wandje bij de trap, kon niet meer gemonteerd worden in verband met de wens van mevrouw [verzoekster] om die wand niet te plaatsen en het ter plekke open te laten. Ik moest daar een andere oplossing voor bedenken. Ik wilde dat overleggen met mevrouw [verzoekster] . Ik wilde met haar overleggen of zij daar nog ergens een leuning wilde en hoe die leuning dan zou moeten worden gemonteerd. Wat ik bedoel te zeggen is eigenlijk dat daar een traphek zou kunnen worden geplaatst op het onderste deel van de trapboom. Het meegeleverde leuningdeel kon daar niet meer worden geplaatst. Ik was van plan om dit met mevrouw [verzoekster] te overleggen tijdens de voorgenomen oplevering op 1 februari 2014.(…)De reden waarom het bovenste stuk van de leuning van de trap nog niet was bevestigd op het moment van de voorgenomen oplevering op 1 februari 2014 was dat er te weinig ruimte was om dat stuk te plaatsen. Normaal gesproken bevestigt men de leuning ongeveer 60 cm boven de traptreden. Die ruimte was er ter plekke niet in verband met de schuine kap van de woning. Ik had met mevrouw [verzoekster] willen bespreken of zij wenste dat dit bovenste stuk van de leuning nog zou worden geplaatst en zo ja, hoe.(…)”