Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2016:7785

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 december 2016
Publicatiedatum
9 december 2016
Zaaknummer
5499622 OV VERZ 16-7649
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot instelling meerderjarigenbewind wegens onvoldoende wettelijke grond

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek tot instelling van een meerderjarigenbewind over de goederen van de rechthebbende, onder gelijktijdige benoeming van een bewindvoerder. Het verzoek was gebaseerd op de stelling dat de rechthebbende door beperkte beheersing van de Nederlandse taal en financiële problemen tijdelijk of duurzaam niet in staat zou zijn zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

De rechtbank nam kennis van verklaringen van Vluchtelingenwerk en andere instanties die de problematische schuldsituatie en stress bij de rechthebbende onderbouwden. Desondanks oordeelde de kantonrechter dat het niet goed beheersen van de Nederlandse taal en de schuldenlast van circa €1.600 niet voldoen aan de wettelijke criteria voor het instellen van een meerderjarigenbewind zoals bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW Pro.

De kantonrechter benadrukte dat de wetgever niet beoogde om personen met taalproblemen zonder geestelijke of lichamelijke beperkingen onder beschermingsbewind te plaatsen. Het verzoek werd daarom afgewezen. Tevens werd opgemerkt dat de oplossing eerder gezocht moet worden in het voorkomen van taalachterstanden dan in het instellen van bewind.

De beschikking werd op 1 december 2016 uitgesproken door kantonrechter W.E.M. Verjans tijdens een openbare zitting.

Uitkomst: Het verzoek tot instelling van meerderjarigenbewind wordt afgewezen wegens ontbreken van wettelijke gronden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton
Bergen op Zoom
zaak/rolnr.: 5499622 OV VERZ 16-7649
beschikking d.d. 1 december 2016 op een verzoek tot instelling van een meerderjarigenbewind
van
[naam en adres rechthebbende].

1.Het procesverloop

1.1
De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. het op 8 november 2016 door de griffie van de rechtbank ontvangen verzoekschrift (met bijlagen);
b. het proces-verbaal van de griffier met betrekking tot het verhandelde op de terechtzitting van donderdag 21 november 2016.
1.2
De inhoud van deze stukken geldt hier als ingelast.

2.De beoordeling

2.1
Het verzoek strekt tot de instelling van een bewind over de goederen van [naam en gegevens rechthebbende] , onder gelijktijdige benoeming van [naam voorgestelde bewindvoerder]
, tot bewindvoerder, dit omdat rechthebbende als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat zou zijn ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.
2.2
Ter onderbouwing van voormeld verzoek wordt door en/of namens rechthebbende aangevoerd, dat rechthebbende slechts zeer beperkt Nederlands en Engels spreekt en dat hij een tweetal schulden (in totaal ca. € 1.600) heeft. Verder zou rechthebbende ondanks de begeleiding van Vluchtelingenwerk (1 jaar inburgering) veel stress ervaren omdat hij zijn financiën niet begrijpt en daardoor mogelijk meer schulden gaat krijgen. In de namens Vluchtelingenwerk (VW) overgelegde schriftelijke verklaring valt te lezen dat:
“Naast diverse gesprekken bij VW heeft betrokkene ook een aantal gesprekken met
tolk bij Traverse gehad, om hem ervan te doordringen dat hij zijn betalingsgedrag diende aan te passen. Alles zonder resultaat. Vanaf begin 2016 hadden wij eigenlijk nog maar incidenteel contact
met betrokkene. Hij reageerde niet op expliciete uitnodigingen om op het VW-spreekuur te verschijnen. Voor de resterende schuld zijn toen betalingsregelingen getroffen, met [woonstichting] en met CZ.
Zodat betrokkene naast de normale maandelijkse betalingen sinds februari 2016 per maand € l00,00 extra als aflossing had. Beide betalingsregelingen zijn ook weer ingetrokken omdat betrokkene niet
op tijd betaalde. Daarom is in april door VWR aan Werkplein gevraagd om zijn vaste lasten huur, zorgverzekering, energie, water) door Werkplein te laten inhouden op zijn uitkering.
Sindsdien is zijn schuldensituatie redelijk gestabiliseerd rond Eur l500,=. En kan nu gerichte aandacht besteed worden aan het afbouwen van die schuld. Gezien deze geschiedenis lijkt het ons duidelijk dat dient er op eigen kracht niet uit gaat komen. Tevens levert het niet begrijpen
van zijn post, financiën en de schulden dient veel stress op. Ook is het risico hierdoor groot dat er weer nieuwe schulden zullen ontstaan. Beschermingsbewind is o.i. noodzakelijk.”
2.3
Ter zitting van 21 november 2016 is het onderhavige verzoek door of namens rechthebbende het verzoek desgevraagd nader toegelicht.
2.4
De kantonrechter heeft ter zitting al benadrukt dat hij slechts een beschermingsbewind kan instellen over één of meer goederen, die aan rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, wanneer één of meer van de wettelijke gronden, als bedoelde in artikel 1:431, lid 1, BW, aanwezig kunnen worden geacht. De kantonrechter heeft voorts ter zitting de aanwezige personen, waaronder rechthebbende, de voorgestelde beschermingsbewindvoerder en een vertegenwoordiger van Vluchtelingenwerk, al medegedeeld, dat hij de -bij verzoekschrift gestelde- wettelijke grond bij rechthebbende niet aanwezig acht. Het niet goed beheersen van de Nederlandse taal door rechthebbende met als gevolg het hebben van problemen bij het regelen van zijn financiën in Nederland en het mogelijk daardoor ontstaan van stress bij rechthebbende kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gekwalificeerd als
“een geestelijke toestand waardoor rechthebbende tijdelijke of duurzaam zijn vermogensrechtelijke belangen zou kunnen behartigen”. Ook van een lichamelijke toestand, waardoor rechthebbende tijdelijk of duurzaam zijn vermogensrechtelijke belangen niet zou kunnen behartigen, is niet gebleken. Wellicht ten overvloede merkt de kantonrechter nog op de aanwezige schuld van ca. € 1.600,00 ook niet kan worden gekwalificeerd als een problematische schuld, als bedoeld in eerder vermeld wetsartikel. Dat het onderhavige verzoek (mede) namens Vluchtelingenwerk wordt ondersteund, doet aan het oordeel van de kantonrechter niet af. De kantonrechter zal het onderhavige verzoek hierna dan ook afwijzen.
2.5
Afrondend merkt de kantonrechter nog op dat hij niet uitsluit dat in Nederland tienduizenden personen rondlopen die de Nederlandse taal niet dan wel onvoldoende beheersen en die als direct gevolg daarvan -ondanks inspanningen van allerlei instanties/organisaties- niet of onvoldoende in staat zijn om hun administratieve en/of financiële zaken in Nederland deugdelijk te regelen en die mogelijk daardoor -op termijn- schuldenproblemen en/of geestelijke problemen gaan krijgen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om naast “het hebben van problematische schulden”, zijnde sinds 1 januari 2014 een nieuwe grond voor het instellen van een beschermingsbewind, ook voormelde tienduizenden personen (nog) onder deze wettelijke beschermende maatregel te brengen. De oplossing van deze problematiek zou ook eerder moeten gezocht in het voorkomen dat personen, die permanent in Nederland wonen/verblijven, (blijvend) de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheersen in plaats van het bestrijden van de negatieve gevolgen van dit gebrek aan kennis van de Nederlandse taal.
3. De beslissing
De kantonrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. W.E.M. Verjans en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 december 2016.