Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende deed in 2009 een nihilaangifte omzetbelasting over het tweede halfjaar van 2008. Pas in 2013 verzocht zij om teruggaaf van €203.737,75 omzetbelasting, onderbouwd met een factuur van de leverancier uit 2008. De inspecteur verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend. Belanghebbende stelde dat zij de factuur niet eerder had en daarom niet eerder kon verzoeken.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek niet als bezwaar tegen de nihilaangifte kon worden aangemerkt, maar als een verzoek om teruggaaf dat tijdig bij de aangifte had moeten worden gedaan. Belanghebbende had zelf moeten zorgen voor een factuur en had de aftrek van omzetbelasting bij of vóór de aangifte kunnen aanvoeren. De termijnoverschrijding werd echter verschoonbaar geacht vanwege onjuiste rechtsmiddelenverwijzing door de inspecteur.
De rechtbank verwierp het beroep op Europees recht en het standpunt dat tegen ambtshalve besluiten bezwaar en beroep mogelijk zouden moeten zijn. Uiteindelijk werd het beroep gegrond verklaard voor zover het betrekking had op het verzoek om teruggaaf, de uitspraak op bezwaar vernietigd, maar het bezwaar ongegrond verklaard. De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht werd aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: Het beroep is gegrond voor het verzoek om teruggaaf omzetbelasting, de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de inspecteur wordt veroordeeld in proceskosten.