Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een beroepsofficier uitgezonden naar Duitsland, bezat een woning in Nederland en kocht in Duitsland een woning nabij zijn werklocatie. Hij gaf beide woningen aan als eigen woning in zijn belastingaangiften over 2011 en 2012, met aftrek van hypotheekrente en eigenwoningforfait.
De inspecteur corrigeerde deze aangiften door de woning in Nederland niet langer als eigen woning te beschouwen, maar als een bezitting in box 3. De rechtbank bevestigt dit oordeel, verwijzend naar artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarin het hoofdverblijf bepalend is voor de eigenwoningregeling. Omdat belanghebbende zijn hoofdverblijf feitelijk in Duitsland had, geldt de woning daar als eigen woning.
Belanghebbende voerde aan dat hij mocht kiezen welke woning als eigen woning werd aangemerkt, en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat collega’s die in Duitsland huurden wel hun Nederlandse woning als eigen woning konden aanmerken. De rechtbank verwierp deze argumenten, stellende dat de wet geen keuzevrijheid biedt en dat de situaties niet vergelijkbaar zijn.
De beroepen zijn ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter Beukers-van Dooren en griffier Van Ooijen op 15 december 2016.
Uitkomst: De beroepen zijn ongegrond verklaard en de woning in Nederland is geen eigen woning volgens de Wet IB 2001.