Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Nog even aan de orde geweest zijn de [gronden] . Deze bevinden zich deels in de B.V. en deels in privé. (...) We zijn het er wel over eens dat deze tot het ondernemingsvermogen behoren. (…)”
Uw stelling dat tijdens de bespreking van 14 december 2012 mevrouw [inspecteur] heeft aangegeven dat alle bezittingen van de holding tot het ondernemingsvermogen behoren, bestrijdt zij met klem. Reeds in het prilste begin, toen de jaarrekeningen aan haar ter beschikking werden gesteld, heeft zij al aan [belanghebbende] aangegeven dat beleggingsvermogen in de B.V. aanwezig was en dat hieraan de nodige aandacht moest worden besteed. (…).
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
-/- 5.046.873
5.Proceskosten en schadevergoeding
6.Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belaste verkrijging van € 6.684.429 met toepassing van de BOF op een bedrag groot € 4.497.542 en vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.984;
- verklaart dat het verzoek om schadevergoeding niet in behandeling wordt genomen;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: