Belanghebbende kocht een gebruikte auto die eerder in Nederland was geregistreerd en vervolgens naar Duitsland was uitgevoerd. De inspecteur legde een naheffingsaanslag BPM op omdat de auto binnen zes maanden na uitvoer weer in Nederland werd geregistreerd, waarbij volgens artikel 10a van de Wet BPM het oogmerk tot herinvoer werd vermoed.
Belanghebbende voerde aan dat hij niet betrokken was bij de uitvoer en het teruggaafverzoek en dat het oogmerk ontbrak. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende in zijn bewijslast was geslaagd en dat de inspecteur onredelijk stelde dat belanghebbende ook het oogmerk bij een derde moest weerleggen.
De rechtbank vernietigde de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak bevestigt dat het oogmerk uitsluitend bij de belastingplichtige moet worden aangetoond en dat een onderzoeksplicht niet zo ver reikt dat internetonderzoek naar eerdere registratie vereist is.