Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 16 oktober 2013 werden in de schuur van belanghebbende 19.200 sigaretten aangetroffen die niet waren voorzien van Nederlandse accijnszegels. De sigaretten waren verpakt in doorzichtig folie en opgeslagen met toestemming van belanghebbende. Naar aanleiding hiervan legde de inspecteur op 24 december 2014 een naheffingsaanslag accijns op van € 3.381,22 plus belastingrente.
Belanghebbende stelde dat de sigaretten tijdelijk door een kennis waren opgeslagen en dat hij niet wist dat er geen accijns over was betaald. De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 51 van Pro de Wet op de accijns (WA) de accijns geheven kan worden van degene die de goederen voorhanden heeft of daarbij betrokken is. Hoewel de kennis de feitelijke beschikkingsmacht had en wist dat er geen accijns was betaald, was belanghebbende betrokken bij het voorhanden hebben doordat hij zijn schuur ter beschikking stelde.
De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende en bevestigde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. Ook het aangehaalde arrest van Hof Arnhem uit 2002 was niet van toepassing omdat dit een andere situatie betrof en vóór de wetswijziging van 1 april 2010 lag. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag accijns is bevestigd.