Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
€ 78.000bij
€ 856.014af
Betreft: [belanghebbende] / gezamenlijke vaststelling feiten in de zaak BRE 15/ 5191 IB/PVV
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
“Voorts kent [X] , voor zover mij bekend, geen interne heffing die naar aard en strekking overeenkomt met de loon- of inkomstenbelasting”.
5.Proceskosten
6.Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot nihil;
- vernietigt de beschikking heffingsrente;
- wijzigt de verliesvaststellingsbeschikking in die zin dat het verlies uit werk en woning wordt vastgesteld op € 1.150;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.485;
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.393;
- veroordeelt de Minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 107;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: