ECLI:NL:RBZWB:2017:1402
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Maximering persoonsgebonden budget toegestaan mits zorg daadwerkelijk kan worden ingekocht
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het beroep van een bewindvoerder tegen het besluit van het college van Woensdrecht over de toekenning van een maatwerkvoorziening voor begeleiding op grond van de Wmo 2015. De kern van het geschil betrof de indicatie van begeleiding in ruime klassen en de hoogte van het persoonsgebonden budget (pgb) van € 817,78 per vier weken.
De rechtbank stelde vast dat het college onvoldoende had gemotiveerd hoeveel uren zorg belanghebbende daadwerkelijk nodig had, waardoor niet kon worden beoordeeld of de maatwerkvoorziening passend was. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit wegens dit motiveringsgebrek vernietigd moest worden, maar gaf het college de mogelijkheid het gebrek binnen vier weken te herstellen.
Verder gaf de rechtbank een interpretatie van de Wmo 2015 dat het college het pgb mag maximeren op de kostprijs van de maatwerkvoorziening in natura, mits de belanghebbende met het pgb daadwerkelijk de benodigde zorg kan inkopen bij ten minste één zorgverlener. Dit voorkomt dat de keuzevrijheid voor een pgb onnodig wordt beperkt.
De rechtbank verklaarde het beroep ingesteld door belanghebbende zelf niet-ontvankelijk, omdat de bewindvoerder formeel de procespartij is. De rechtbank hield de verdere beslissing aan en stelde geen voorlopige voorziening in, gezien het ontbreken van een spoedeisend belang.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende zelf is niet-ontvankelijk verklaard; het college mag het pgb maximeren mits de benodigde zorg daadwerkelijk kan worden ingekocht.