ECLI:NL:RBZWB:2017:1430

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 februari 2017
Publicatiedatum
9 maart 2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4921
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 228 GemeentewetArt. 2 Verordening precariobelasting gemeenteArt. 27d Algemene wet inzake rijksbelastingenAfdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling juiste hoogte precariobelasting voor reclamebord op gemeentegrond

Belanghebbende exploiteert een onderneming waar een reclamebord, een zogenaamde windmaster, op gemeentegrond staat. Voor dit bord is een precariobelasting opgelegd over het jaar 2015, gebaseerd op een oppervlakte van 2 x 0,5 m². Belanghebbende betwist de hoogte van deze aanslag en vraagt om duidelijkheid over de wijze van oppervlaktebepaling door de gemeente.

De rechtbank stelt vast dat de windmaster een horizontale oppervlakte van 0,48 m² en een verticale oppervlakte van 0,72 m² heeft. Volgens artikel 228 van Pro de Gemeentewet en de Verordening precariobelasting van de gemeente wordt de belasting berekend op basis van de oppervlakte van de grootste zijde van het voorwerp. De grootste zijde van de windmaster is 0,72 m².

Belanghebbende betoogt dat een zijde geen oppervlakte kan hebben en dat de verordening onduidelijk is. De rechtbank oordeelt dat de term 'zijde' een grensvlak betreft waar wel degelijk een oppervlakte aan toegekend kan worden, wat voldoende duidelijkheid biedt. De precariobelasting is daarom terecht vastgesteld op tweemaal € 78,44, gebaseerd op de grootste zijde van het bord.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en gelast de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van € 46 aan belanghebbende te vergoeden, omdat pas in beroep duidelijkheid werd verschaft over de oppervlaktebepaling. Er is geen aanleiding voor verdere proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag precariobelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 16/4921
Uitspraak van 23 februari 2017
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Belastingsamenwerking West-Brabant,
de heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de heffingsambtenaar van 1 juli 2016 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde aanslag precariobelasting over het jaar 2015.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2017 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, haar echtgenoot [echtgenoot], en namens de heffingsambtenaar, [verweerder].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart:
- het beroep ongegrond;
- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.
Belanghebbende exploiteert een onderneming aan de [adres] te [plaats X]. Voor de deur staat op gemeentegrond een reclamebord, een zogenoemde windmaster.
2.2.
Aan belanghebbende is voor de windmaster een aanslag precariobelasting 2015 opgelegd ten bedrage van € 156,88. Het tarief is gebaseerd op een bord met een oppervlakte van 2 x 0,5 m². Bij de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de aanslag gehandhaafd.
2.3.
In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag precariobelasting tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder wenst belanghebbende antwoord op de vraag hoe de afmetingen van windmaster door de gemeente zijn bepaald.
2.4.
De rechtbank stelt vast dat de horizontale oppervlakte van de windmaster 0,48 m² (80 bij 60 cm) meet en de verticale oppervlakte 0,72 m² (120 bij 60 cm).
2.6.
Ingevolge artikel 228 van Pro de Gemeentewet en artikel 2 van Pro de Verordening precariobelasting van de [gemeente X] kan ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, een precariobelasting worden geheven.
In artikel 6, tweede lid, van de Verordening is voor de berekening van de precariobelasting bepaald: “
Indien een tarief per oppervlakte is vastgesteld, wordt de precariobelasting berekend naar de oppervlakte van de horizontale projectie van de voorwerpen, tenzij anders is bepaald.”
In 6.1.3. van de bij de Verordening behorende Tarieventabel is bepaald:

in andere dan onder 6.1.1 en 6.1.2 van dit hoofdstuk genoemde gevallen bedraagt het tarief per ½ m² van de oppervlakte van de grootste zijde van het voorwerp:
(…)
6.1.3.3 per jaar € 78,44
2.7.
Belanghebbende is van mening dat ‘een zijde’ van een voorwerp geen oppervlakte kan hebben en dat de Verordening in zoverre onduidelijk lijkt.
2.8.
Volgens het “Van Dale” woordenboek Nederlandse taal is ‘de zijde’ onder meer “
een kant, grensvlak van een lichaam”. Van een grensvlak kan een oppervlakte worden berekend. De Verordening is derhalve voldoende duidelijk. Tussen partijen is niet in geschil dat de grootste zijde van de windmaster een oppervlakte van 0,72 m² heeft.
2.9.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de precariobelasting voor de windmaster van belanghebbende in overeenstemming met de Verordening en de Tarieventabel is vastgesteld op tweemaal € 78,44 gebaseerd op de grootste oppervlakte van de windmaster van 0,72 m². Daarom is het beroep ongegrond.
2.10.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De heffingsambtenaar heeft ter zitting te kennen gegeven het griffierecht te vergoeden, nu belanghebbende pas in beroep duidelijkheid heeft gekregen hoe de gemeente de afmetingen van windmaster heeft bepaald. De rechtbank heeft aldus beslist.
Deze uitspraak is gedaan op 23 februari 2017 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.