Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, gebruiker van een winkelpand met een openbare aankondiging zichtbaar vanaf de openbare weg, maakte bezwaar tegen de opgelegde reclamebelasting over 2016. De aanslag was gebaseerd op de WOZ-waarde van het pand en het tarief volgens de Verordening reclamebelasting 2016 van de gemeente.
De kern van het geschil betrof de vraag of de Verordening verbindend is en of het eenheidstarief in artikel 6 daarvan Pro verenigbaar is met algemene rechtsbeginselen, met name het evenredigheidsbeginsel. Belanghebbende stelde dat het tarief onrechtmatig was omdat het afhankelijk werd gesteld van de WOZ-waarde, wat volgens haar niet toegestaan is.
De rechtbank oordeelde dat de reclamebelasting een algemene belasting is en dat de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf geoorloofd is, gelet op de parlementaire geschiedenis en jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarnaast werd geoordeeld dat het eenheidstarief niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat de gemeenteraad binnen haar ruime bevoegdheden heeft gehandeld en het tarief gebaseerd is op eenvoud en doelmatigheid.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 23 februari 2017 door rechter C.A.F.M. Stassen te Breda.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag reclamebelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.