ECLI:NL:RBZWB:2017:1506

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 februari 2017
Publicatiedatum
13 maart 2017
Zaaknummer
AWB 16_8325
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 AwirArt. 13 Wet op de huurtoeslagArt. 26 Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen besluit huurtoeslag wegens te hoge huur en inkomen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 24 september 2016 waarin het voorschot huurtoeslag 2014 werd vastgesteld op nul. De Belastingdienst stelde dat eiser geen recht had op huurtoeslag omdat de kale huur van €1.250,- hoger was dan de maximale huurgrens van €699,48 en het toetsingsinkomen van €44.000,- hoger was dan de inkomensgrens van €29.325.

Eiser voerde aan dat hij slechts €699,- huur betaalde op basis van onderhuur en dat hij geen inkomen had, maar een opgelegd inkomen van €44.000,- als directeur-grootaandeelhouder betwistte. De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst het door de belastinginspecteur vastgestelde inkomen moest hanteren en dat het bezwaar tegen dit inkomen ongegrond was verklaard.

Daarnaast kon eiser zijn lagere huur niet aannemelijk maken omdat hij geen bewijsstukken had overgelegd. De huurovereenkomst vermeldde een kale huur van €1.250,-. Op grond hiervan en de wettelijke bepalingen had eiser geen recht op huurtoeslag.

Eiser verzocht ook om af te zien van terugvordering wegens financiële problemen, maar de rechtbank oordeelde dat de terugvordering van €3.721,- wettelijk verplicht was en dat de Belastingdienst niet mocht afzien van terugvordering. Wel werd gewezen op de mogelijkheid een betalingsregeling aan te vragen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van huurtoeslag wordt ongegrond verklaard en eiser moet het teveel ontvangen voorschot terugbetalen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 16/8325 HUUR

uitspraak van 28 februari 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], [woonplaats], eiser,

en

Belastingdienst/Toeslagen (kantoor Utrecht), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 24 september 2016 (bestreden besluit) van de Belastingdienst/Toeslagen inzake het voorschot huurtoeslag 2014.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 9 februari 2017. Eiser is niet verschenen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.E. van Dijk.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiser stond in 2014 ingeschreven op het adres [oud adres eiser] te [oude woonplaats eiser]. Hij heeft een voorschot huurtoeslag 2014 ontvangen van € 3.565,-.
Bij besluit van 5 augustus 2016 (primair besluit) heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag 2014 opnieuw berekend en vastgesteld op € 0,-. Hij moet een bedrag van € 3.721,- terugbetalen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Bij het bestreden besluit heeft de Belastingdienst/Toeslagen de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.
2. De Belastingdienst/Toeslagen stelt zich in het bestreden besluit op het volgende standpunt. Eiser heeft om meerdere redenen geen recht op huurtoeslag. Ten eerste is de kale huur (€ 1.250,-) hoger dan de maximale grens voor de huurtoeslag 2014 (€ 699,48). Ten tweede is eisers vastgestelde inkomen voor 2014 hoger (€ 44.000,-) dan de maximale grens voor recht op huurtoeslag (€ 29.325,-).
3. Eiser voert in beroep het volgende aan. Hij had een (onder)huur van € 699,- per maand. Daarnaast had hij geen inkomen. Hij heeft echter als directeur-grootaandeelhouder een inkomen opgelegd gekregen van € 44.000,-. Hij heeft bij de belastinginspecteur bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van dit inkomen.
Toetsingsinkomen
4. De huurtoeslag is een inkomensafhankelijke regeling. Daarom is de huurtoeslag afhankelijk van het toetsingsinkomen.
5. De rechtbank overweegt dat de Belastingdienst/Toeslagen dient uit te gaan van het verzamelinkomen zoals dat is vastgesteld door de belastinginspecteur. De Belastingdienst/Toeslagen kan dus niet eigenhandig een ander toetsingsinkomen hanteren om het recht op huurtoeslag vast te stellen. Dit volgt uit artikel 11, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awir), waarin is bepaald dat de aanslag wordt vastgesteld door de inspecteur. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit bepaald, onder meer in de uitspraak van 11 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:52).
6. Tussen partijen is niet in geschil dat de belastinginspecteur het inkomen heeft vastgesteld op € 44.000,-. Het daartegen gerichte bezwaarschrift is ongegrond verklaard, zo heeft de Belastingdienst/Toeslagen tijdens de zitting toegelicht. Dit betekent dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht is uitgegaan van het door de belastinginspecteur vastgestelde inkomen van € 44.000,-. Op basis van dit inkomen heeft eiser geen recht op huurtoeslag.
Maximale huur
7. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de huurtoeslag wordt geen huurtoeslag toegekend als de rekenhuur hoger is dan € 699,48 per maand […].
8. Uit de door eiser overgelegde huurovereenkomst blijkt van een kale huur van € 1.250,-. Aangezien dit bedrag hoger is dan € 699,48, komt eiser niet in aanmerking voor huurtoeslag. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake was van onderhuur en dat hij € 699,- per maand betaalde. Eiser heeft dit echter, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet onderbouwd met bewijsstukken. Hij heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een lagere huur. Dit betekent dat de Belastingdienst/Toeslagen uit mocht gaan van het bedrag zoals genoemd in de huurovereenkomst. Zoals gezegd, heeft eiser op basis van dit huurbedrag geen recht op huurtoeslag.
Terugvordering
9. Eiser heeft aangevoerd dat hij geen geld heeft om de rekeningen te betalen. Voor zover deze grond moet worden opgevat als een verzoek om af te zien van terugvordering, overweegt de rechtbank als volgt.
10. Op grond van artikel 26 van Pro de Awir is de belanghebbende, indien een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.
11. Nu de Belastingdienst/Toeslagen terecht de huurtoeslag van eiser heeft vastgesteld op € 0,-, betekent dit dat eiser een bedrag van € 3.721,- aan te veel betaalde voorschotten moet terugbetalen. Artikel 26 van Pro de Awir is dwingendrechtelijk geformuleerd. De Belastingdienst/Toeslagen mocht daarom niet afzien van terugvordering. De financiële situatie van eiser maakt dit niet anders. Eiser kan, zoals door de Belastingdienst/Toeslagen in het verweerschrift ook is aangegeven, een verzoek indienen tot het vaststellen van een betalingsregeling.
Conclusie
12. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.M. van Lanen, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.