Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende kreeg naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd voor de jaren 2006, 2007 en 2009. Tegen de uitspraken op bezwaar die deze aanslagen handhaafden, stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank. De rechtbank onderzocht of deze beroepen ontvankelijk waren, waarbij de vraag centraal stond of de termijn voor het instellen van beroep was overschreden en of deze termijnoverschrijding verschoonbaar was.
De uitspraken op bezwaar waren aanvankelijk naar een oud postbusadres van de gemachtigde van belanghebbende gestuurd. Nadat deze retour kwamen, stuurde de Belastingdienst de uitspraken door naar een nieuw postbusadres. De gemachtigde werd pas op 10 juli 2015 telefonisch op de hoogte gebracht van het bestaan van de uitspraken. Het beroep werd op 13 juli 2015 ingesteld, na het verstrijken van de wettelijke termijn van zes weken.
Belanghebbende voerde aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege de adreswijziging en onduidelijkheid in de adressering door de Belastingdienst. De rechtbank oordeelde echter dat de Belastingdienst niet gehouden was tot een eenduidige adressering, zeker omdat meerdere contactmogelijkheden op het briefpapier stonden vermeld. De termijnoverschrijding werd daarom niet als verschoonbaar beschouwd.
De rechtbank verklaarde de beroepen niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder verschoonbare reden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De beroepen worden niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.