Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een sportorganisatie, maakte bezwaar tegen de door haar afgedragen crisisheffing 2014 over het loon van werknemers boven €150.000, ter hoogte van €2.303.011. De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond en belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank overwoog dat de Hoge Raad reeds had vastgesteld dat de crisisheffing een wettelijke grondslag heeft en niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, noch met artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro. Belanghebbendes stelling dat de heffing buiten toepassing zou moeten blijven wegens schending van deze bepalingen werd verworpen.
Ook het argument dat sprake zou zijn van een individuele buitensporige last kon niet worden gevolgd, omdat belanghebbende geen specifieke feiten of omstandigheden had aangevoerd die dit zouden onderbouwen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. Het vonnis werd op 2 juni 2017 uitgesproken door de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de crisisheffing 2014 is ongegrond verklaard.