Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende werd geconfronteerd met een informatiebeschikking op grond van artikel 52a AWR vanwege onvoldoende beantwoording van vragen over de herkomst van gelden voor de aankoop en verbouwing van meerdere woningen en de aanschaf van auto's in de jaren 2005-2010.
De inspecteur stelde dat belanghebbende niet voldeed aan zijn informatieplicht zoals bedoeld in artikel 47 AWR Pro, mede omdat de overgelegde leningsovereenkomsten als vals werden aangemerkt in een strafzaak. Belanghebbende verweerde zich onder meer met het verwijt van détournement de pouvoir, hetgeen door de rechtbank werd verworpen.
De rechtbank oordeelde dat de verstrekte informatie onvoldoende was om alle vragen van de inspecteur te beantwoorden, met name omtrent de financiering van levensonderhoud en autokosten. Daarom werd de informatiebeschikking terecht vastgesteld en het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank gaf belanghebbende een termijn van twee maanden om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de informatiebeschikking wordt ongegrond verklaard omdat belanghebbende niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan.