Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[eiser sub 1]
[eiser sub 3],
[eiser sub 4],
1.De procedure
- de dagvaarding, met producties
- de conclusie van antwoord, met producties
- de conclusie van repliek tevens houdende akte van wijziging van eis, met producties
- de conclusie van dupliek, met producties
- de brief van 1 december 2016 van de zijde van het Waterschap, met producties
- de brief van 14 december 2016 van de zijde van eisers, met productie
- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.
3.De beoordeling
inhoudvan het recht van economische eigendom bepaalt of niet alleen het risico van waardestijging van de percelen en andere voordelen voor de maatschap zijn, maar ook het risico van waardedaling en andere nadelen. Om dat laatste gaat het in deze zaak. Omdat de inhoud van het begrip economische eigendom niet vaststaat, kan degene die zijn vordering grondt op economische eigendom er niet mee volstaan aan te geven dat hij krachtens een rechtsbetrekking met de juridische eigenaar is aan te merken als economische eigenaar. Hij moet duidelijk maken welke inhoud deze rechtsbetrekking in het concrete geval heeft. Dat heeft de maatschap niet gedaan. De woorden “economische belang” in de akte uit 2005 duiden in de context van artikel 5 veeleer Pro op slechts een positief belang. De omstandigheid dat niet de maatschap, maar [eisers] op 9 mei 2011 om verwijdering van de stuw heeft verzocht, duidt er ook niet op dat het risico van waardedaling en andere nadelen van de percelen voor de maatschap is. De maatschap heeft zich, tot slot, tot 21 juli 2015 ook nooit tot het Waterschap gewend met betrekking tot door haar geleden nadelige gevolgen van handelen van het Waterschap. Dit alles leidt tot het oordeel dat aan de maatschap en haar huidige maten geen vorderingsrecht jegens het Waterschap toekomt. De vorderingen van eisers 1 tot en met 3 liggen voor afwijzing gereed.