Eiser was sinds 1993 in dienst bij Ansynth en werd in 2014 ontslagen wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst vordert eiser uitbetaling van 122,75 opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen en 42 ATV-dagen. Ansynth voert verweer met onder meer rechtsverwerking en betwist het tegoed aan vakantiedagen.
De rechtbank oordeelt dat rechtsverwerking niet is aangetoond omdat er geen bijkomende omstandigheden zijn die het stilzitten van eiser onredelijk maken. De wettelijke vakantiedagen opgebouwd na 2012 zijn vervallen, maar de resterende dagen zijn toewijsbaar. Ansynth heeft onvoldoende bewijs geleverd om het tegoed te betwisten, mede door het ontbreken van een correcte administratie en het niet inschakelen van een bedrijfsarts.
De vordering tot uitbetaling van ATV-dagen wordt afgewezen omdat niet is gebleken dat hierover een uitbetalingsafspraak bestond. Het beroep van Ansynth op redelijkheid en billijkheid faalt, evenals het verzoek tot wettelijke verhoging. De wettelijke rente wordt gematigd vanwege de lange termijn tussen beëindiging en vordering. De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. Ansynth wordt veroordeeld tot betaling van €19.489,81 bruto plus rente en €750 incassokosten, en voor de helft in de proceskosten.