Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 12 juli 2017 met de daarin vermelde stukken,
- de bij brief van 14 augustus 2017 van de zijde van [eiser] in het geding gebrachte stuk,
- de bij brief van 24 augustus 2017 van de zijde van [gedaagde] in het geding gebrachte producties, genummerd 1 t/m 3,
- het proces-verbaal van comparitie gehouden op 29 augustus 2017.
2.Het geschil
€ 1 .000,-- voor iedere dag dat [gedaagde] weigert aan dit vonnis te voldoen;
3.De beoordeling
€ 300.000,--. De leveringsakte van voormelde koop dateert van 10 juli 2015 en hierin staat, voor zover hier van belang, onder meer het navolgende:
€ 50.000,--, maar [gedaagde] heeft een bedrag van € 70.000,-- overgemaakt op een en/of bankrekening die hij met [eiser] had geopend. Partijen zijn als zekerheid ten behoeve van [gedaagde] tot een bedrag van € 370.000,-- een hypotheek overeengekomen op het aan [eiser] in eigendom toebehorende registergoed, zijnde de boerderij met tuin en verdere aanhorigheden gelegen aan de [adres 1] [huisnr] te [plaatsnaam 1] .
€ 370.000,--. Gelet op het vorenstaande kan de akte van geldlening met hypotheek volgens [eiser] niet in stand blijven.
€ 370.000,--. Ook uit deze stellingen valt geen onjuiste voorstelling van zaken bij [eiser] te destilleren, te minder niet nu [eiser] heeft verklaard dat hij geld nodig had om zijn schuldeisers af te lossen en dat zijn schuld bij [gedaagde] rond de € 160.000,-- bedraagt. Het betoog van [eiser] over het door [gedaagde] op vermeende slinkse wijze innemen van zijn bedrijf is naar het oordeel van de rechtbank eveneens gebaseerd op vermoedens van [eiser] ; in ieder geval is deze stelling op zichzelf onvoldoende voor een geslaagd beroep op dwaling. Bovendien strookt de stellingname van [eiser] geenszins met de omstandigheid dat hij er zelf bewust voor gekozen heeft om met [gedaagde] overeenkomsten aan te gaan en daartoe steeds het initiatief heeft genomen.
€ 70.000,-- en het door [eiser] verstrekte hypotheek tot een bedrag van € 370.000,-- leidt evenmin tot een succesvol beroep op ontbinding of vernietiging van de bewuste overeenkomst van geldlening. Deze omstandigheid kwalificeert op zichzelf niet tot een tekortkoming die of wilsgebrek dat zou moeten leiden tot respectievelijk ontbinding of vernietiging van de tussen partijen gesloten overeenkomst van geldlening. Daar komt bij dat [gedaagde] ter comparitiezitting onweersproken heeft verklaard dat gebleken is dat de schuldenlast van [eiser] méér dan € 225.000,-- bedroeg, alsmede de eigen verklaring van [eiser] dat zijn schuld aan [gedaagde] ongeveer € 160.000,-- bedraagt. Gelet hierop wordt niet ingezien dat de door [gedaagde] bedongen zekerheid in de vorm van een hypotheek disproportioneel of onredelijk is te achten. Het verwijt van [eiser] inhoudende dat [gedaagde] met zijn handelwijze het aan hem geleende bedrag ten behoeve van zichzelf heeft aangewend is niet gebaseerd op feiten maar op niet gefundeerde speculaties van [eiser] . Ook hetgeen overigens door [eiser] in dit verband is gesteld, legt onvoldoende gewicht in de schaal om het oordeel te wettigen dat sprake is van een tekortkoming of wilsgebrek leidend tot ontbinding of vernietiging van de bewuste overeenkomst.
€ 287,-- aan griffierecht, in totaal aldus € 1.191,--.