ECLI:NL:RBZWB:2017:6294
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij payrolling, rechtsgeldige uitzendovereenkomst vastgesteld
Eiser vordert de rechtbank om vast te stellen dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft met gedaagde en dat hij toegang moet krijgen tot zijn werkzaamheden, alsmede betaling van achterstallig loon en kosten. Gedaagde betwist dit en stelt dat er een rechtsgeldige uitzendovereenkomst is met een payrollingbedrijf, waarbij eiser feitelijk bij gedaagde werkte maar juridisch in dienst was van de payroller.
De rechtbank stelt vast dat eiser vanaf 30 juni 2015 in dienst trad bij het payrollingbedrijf en bij gedaagde werd geplaatst. Eiser bleef dezelfde werkzaamheden verrichten onder leiding van gedaagde en had dezelfde arbeidsvoorwaarden. De rechtbank onderzoekt of dit een schijnconstructie is die moet worden doorbroken.
De rechtbank volgt de jurisprudentie en overweegt dat de allocatiefunctie niet doorslaggevend is en dat de invulling van werkgeverschap deels bij het payrollingbedrijf en deels bij gedaagde lag. De verzuimbegeleiding door gedaagde is onvoldoende om te spreken van een schijnconstructie. Ook het ontbreken van functioneringsgesprekken bij de payroller is niet doorslaggevend.
De rechtbank concludeert dat er een rechtsgeldige uitzendovereenkomst is tussen eiser en het payrollingbedrijf en dat er geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met gedaagde is ontstaan. De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en bevestigt de rechtsgeldige uitzendovereenkomst met het payrollingbedrijf.