Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de primair en subsidiair tenlastegelegde feiten;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 18 oktober 2017 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant verdachte vrijgesproken van het medeplegen van verkrachting op 16 april 2013 te Serooskerke. Verdachte werd ervan verdacht samen met anderen het slachtoffer te hebben gedwongen tot seksuele handelingen met geweld en bedreiging.
Het bewijs bestond uit de verklaring van het slachtoffer, die werd ondersteund door enkele onderzoeksresultaten zoals camerabeelden en verklaringen over het tankstationbezoek. De verdediging betwistte de beschuldigingen en stelde dat er geen seksuele handelingen hadden plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelde dat hoewel het bewijs voldoende was om de betrokkenheid van verdachte niet uit te sluiten, er geen steunbewijs was voor de seksuele handelingen zelf. Forensisch onderzoek toonde geen letsel of sporen van sperma aan, wat de verklaring van het slachtoffer tegensprak. Hierdoor ontbrak de overtuiging dat verdachte het tenlastegelegde feit had begaan.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken. De rechtbank bepaalde dat de civiele vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
De uitspraak werd gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. I.M. Josten en mr. Y.E.Y. Vermeulen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen verkrachting wegens onvoldoende bewijs.