Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van het geding
2.De feiten
3.8. Met [naam 2] is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vordering, voor zover ingesteld door [naam 1] , moet worden afgewezen. De stelling van [naam 6] dat de vordering mede namens [naam 1] is ingesteld, omdat haar vennootschapsbelang wordt geraakt kan niet tot de conclusie leiden dat zij bevoegd is een vordering als de onderhavige in te stellen. In onderhavige zaak gaat het om een geschil tussen de aandeelhouders van [naam 1] , te weten [gedaagde in conventie/eiser in reconventie] en [naam 3] Beheer als minderheidsaandeel-houders en [naam 2] als meerderheidsaandeelhouder. De vordering kan om die reden enkel door de aandeelhouders van [naam 1] worden ingesteld.
3.Het geschil
4.De beoordeling
minderheidsaandeelhoudersbelang van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie] (en van [naam 3] ) in dit geval gelijk te stellen is met het vennootschappelijk belang van [eiseres in conventie/gedaagde in reconventie] . [gedaagde in conventie/eiser in reconventie] kan worden gevolgd in zijn opvatting dat, zij het onder omstandigheden, het aandeelhoudersbelang voor een aanzienlijk deel kan samenvallen met het vennootschapsbelang. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien een onderneming die door de besloten vennootschap wordt gevoerd, feitelijk wordt gevoerd door de directeur, (enig en groot-)aandeelhouder. De kantonrechter vindt voor deze opvatting steun in de memorie van toelichting bij de wet Flexibilisering B.V.-recht (Kamerstukken II 2006/07, 31058, 3, p.3).