Uitspraak
[naam 1],
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil
3.De beoordeling
4.De beslissing
woensdag 20 december 2017 te 09.00 uur, voor het nemen van een akte na tussenvonnis door [eiseres] zoals bedoeld in overweging sub 3.8;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen sloten in november 2013 een franchiseovereenkomst waarbij gedaagde onder een franchiseformule ging ondernemen. Na diverse ontwikkelingen en beëindigingsverklaringen ontstond een geschil over betalingen en vermeende tekortkomingen.
Eiseres vorderde betaling van een bedrag met rente, terwijl gedaagde in reconventie stelde dat eiseres onrechtmatig had gehandeld door het verstrekken van een ondeugdelijke prognose, en dat sprake was van dwaling en toerekenbare tekortkoming. Eiseres voerde verweer en stelde dat de Wet Acquisitiefraude van toepassing was, waardoor de bewijslast werd omgekeerd.
De rechtbank oordeelde dat het beroep op verrekening gepasseerd moest worden wegens onvoldoende vaststelling, stelde eiseres in de gelegenheid om de relevante benchmarkgegevens over te leggen, en wees het beroep op dwaling af omdat gedaagde onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de overeenkomst niet zou hebben gesloten bij juiste informatie. De beslissing over de toerekenbare tekortkoming werd aangehouden vanwege de lopende bewijslevering.
De rechtbank verwees de zaak naar een nieuwe zitting voor het overleggen van aanvullende stukken en hield verdere beslissingen aan. De vorderingen tot schadevergoeding werden afgewezen omdat de overeenkomst niet vernietigd werd.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep op dwaling en schadevergoeding af, houdt beslissingen aan en verwijst partijen voor nadere bewijslevering.