ECLI:NL:RBZWB:2017:8625
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Hoger beroep
- H. Hertsig
- J. Van der Linden
- M. Van Breugel
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring hoger beroep tegen afwijzing machtiging conservatoir beslag ter ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
De officier van justitie tekende beroep aan tegen de beslissing van de rechter-commissaris die de vordering tot machtiging tot het leggen van conservatoir beslag afwees. Dit beslag was bedoeld ter bewaring van het recht van verhaal voor een eerder door de politierechter opgelegde ontnemingsmaatregel van €19.000.
De rechtbank beoordeelde of de rechter-commissaris de afwijzing op juiste gronden had genomen, waarbij zij de voorwaarden uit de artikelen 94a en 103 Wetboek van Strafvordering in acht nam. De rechtbank stelde vast dat aan de wettelijke voorwaarden was voldaan, mede omdat sprake was van een veroordeling tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechter-commissaris had de vordering afgewezen omdat geen lijst met specifieke voorwerpen en hun geschatte waarde was overgelegd. De rechtbank oordeelde echter dat artikel 94c Sv niet vereist dat in de machtiging specifieke voorwerpen worden vermeld. De rechtbank concludeerde dat de afwijzing onterecht was en verklaarde het beroep gegrond.
De rechtbank verleende vervolgens de machtiging tot het leggen van conservatoir beslag tot het bedrag van €19.000, waarmee het recht van verhaal voor de ontnemingsmaatregel wordt gewaarborgd. Tevens stelde de rechtbank dat een beleidswijziging van de rechter-commissaris om geen open machtigingen meer te verlenen geen wettelijke grondslag heeft.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de machtiging tot het leggen van conservatoir beslag van €19.000 wordt verleend.