ECLI:NL:RBZWB:2017:8626
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Hoger beroep
- Hertsig
- Van der Linden
- Van Breugel
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring hoger beroep tegen afwijzing machtiging conservatoir beslag ter ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
De officier van justitie heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris die de vordering tot machtiging tot het leggen van conservatoir beslag had afgewezen omdat geen lijst met specifieke voorwerpen en hun geschatte waarde was overgelegd.
De rechtbank beoordeelde of de rechter-commissaris de afwijzing op juiste gronden had genomen, waarbij zij aansluiting zocht bij de jurisprudentie van de Hoge Raad over conservatoir beslag en de voorwaarden uit de artikelen 94a en 103 Sv. De rechtbank stelde vast dat aan de wettelijke voorwaarden was voldaan en dat de verdachte reeds door de meervoudige kamer een ontnemingsmaatregel van € 76.389,23 was opgelegd.
De rechtbank oordeelde dat het niet wettelijk vereist is om in de machtiging specifieke voorwerpen te benoemen en dat het weigeren van de machtiging op deze grond onterecht was. Tevens wees de rechtbank het vermeende nieuwe beleid van de rechter-commissaris af wegens gebrek aan wettelijke grondslag.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond en verleende zij de machtiging tot het leggen van conservatoir beslag tot het bedrag van de ontnemingsmaatregel.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de machtiging tot het leggen van conservatoir beslag wordt verleend tot € 76.389,23.