Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 17 mei 2017;
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid in reconventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties;
- de akte houdende overlegging productie van De Rijk c.s. met productie E-7;
- de akte houdende overlegging productie van De Rijk c.s. met productie E-8;
- het proces-verbaal van de op 20 juni 2017 gehouden comparitie en de ter gelegenheid daarvan door partijen overgelegde aantekeningen;
- de brief van 21 juni 2017 van de rechtbank aan partijen;
- de brief van 5 juli 2017 van mr. Flameling aan de rechtbank;
- de brief van 26 juli 2017 van mr. Holsbrink aan de rechtbank;
- de brief van 27 juli 2017 van mr. Latten aan de rechtbank;
- de incidentele conclusie tot splitsing van A&R c.s.;
- de conclusie van antwoord in het incident tot splitsing.
2.De feiten
Zusammengefasst wurde von Seiten des Brandsachverständigen festgestellt, dass die Nivellierung nich ausreichend gewählt wurde (Abstand Reifen zum Trailerboden zu gering). Folglich konnte es im Transportverlauf zu einer Reibung der Reifen am Unterboden des Aufliegers kommen, wodurch der Brandeintritt möglich war. Schadenursächlich war somit eine mangelhafte, seitens der Fahrer nicht korrekt gewählte Nivellierung des Aufliegers.
(…)”
3.Het geschil
in conventieom voor recht te verklaren dat gedaagden in een eventuele schadevordering jegens hen niet ontvankelijk zijn, dat zij niet aansprakelijk zijn jegens gedaagden en dat zij niet verder aansprakelijk zijn jegens gedaagden dan tot het bedrag van de CMR-limiet ingevolge artikel 23 CMR Pro. Daarnaast vorderen zij veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding, inclusief nakosten, vermeerderd met rente.