Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin zijn mate van arbeidsongeschiktheid per 13 januari 2017 is vastgesteld op 18,15%. Hij stelt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat het UWV het beginsel van reformatio in peius heeft geschonden. De rechtbank heeft het medisch en arbeidskundig onderzoek beoordeeld, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep minder beperkingen vaststelde dan de primaire verzekeringsarts, maar dit werd gemotiveerd en als voldoende zorgvuldig beoordeeld.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geschikte functies voor eiser gevonden, waaronder productiemedewerker industrie en administratief medewerker, en heeft de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 18,15%. De rechtbank acht deze functies passend en de berekening correct, mede omdat eiser geen concrete objectieve gegevens heeft overgelegd die dit tegenspreken.
De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld en dat er geen sprake is van reformatio in peius. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Vanwege een formeel gebrek dat geen nadeel voor eiser opleverde, wordt dit gepasseerd. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiser.