Uitspraak
2.Het verzoek
advocaat: mr. R.T.K. Davidse te Middelburg.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 20 februari 2018 een verzoek van de officier van justitie tot voorlopige machtiging voor het voortduren van het verblijf van betrokkene in een verpleeginrichting. Betrokkene verbleef reeds krachtens een machtiging tot voortgezet verblijf, waartegen hij cassatie had ingesteld. De Hoge Raad vernietigde eerder een voorlopige machtiging uit juni 2017 en verwees de zaak terug naar de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat elke machtiging een zelfstandige maatregel is en dat de rechtmatigheid van de lopende machtiging niet wordt aangetast door een gebrek in een voorafgaande machtiging. Gezien de geldende machtiging tot voortgezet verblijf en het ontbreken van een beslissing op het cassatieverzoek, heeft de officier van justitie geen belang meer bij het voorlopige machtigingsverzoek.
Daarom verklaarde de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk en zag zij af van inhoudelijke beoordeling van het verzoek. Betrokkene verzette zich tegen opname en behandeling, maar de rechtbank vond voldoende recente medische informatie aanwezig om tot een oordeel te komen. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken door mr. van Rossum.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het verzoek voorlopige machtiging vanwege het bestaan van een geldige machtiging tot voortgezet verblijf.