Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 10 april 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 24 juli 2017 betreffende de voortzetting van zijn WIA-uitkering en de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage per 2 november 2015 op 79,84%.
De rechtbank heeft het medisch en arbeidskundig onderzoek beoordeeld, waarbij onder meer verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen betrokken waren. Eiser stelde dat het klachtenbeeld onjuist was geïnterpreteerd en dat hij volledig arbeidsongeschikt is, mede vanwege concentratieproblemen en slaapapneu. Diverse medische rapportages, waaronder van een neuropsycholoog en revalidatiearts, zijn in het dossier meegenomen.
De verzekeringsartsen concludeerden dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat er geen aanleiding was om af te wijken van het primaire besluit. De rechtbank vond het medisch onderzoek zorgvuldig en sloot aan bij de conclusies dat de beperkingen niet waren onderschat. Ook het arbeidskundig onderzoek wees uit dat eiser geschikt was voor bepaalde functies die passen bij zijn belastbaarheid.
Op basis van de vastgestelde belastbaarheid en de passende functies heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage berekend op 79,84%. De rechtbank vond geen reden om dit te wijzigen en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit tot vaststelling van 79,84% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.