Eiser, voormalig advocaat, werd geschorst en zette zijn praktijk om in een juridisch adviesbureau. Hij vroeg een uitkering aan als beëindigend zelfstandige. Het college verleende een uitkering voor drie maanden, gebaseerd op een advies van het IMK dat het bedrijf niet levensvatbaar was maar drie maanden nodig achtte voor beëindiging.
Eiser maakte bezwaar tegen de beperkte duur van de uitkering. De rechtbank oordeelt dat eiser na zijn schorsing nog wel werkzaamheden verrichtte, zoals het afhandelen van lopende dossiers, wat overeenkomt met het IMK-rapport. Het college had onvoldoende gemotiveerd waarom de uitkering niet langer dan drie maanden werd toegekend, terwijl feitelijk slechts vijf tot zes weken tijd werd gegeven om werkzaamheden af te bouwen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het griffierecht aan eiser vergoed en het college veroordeeld in de proceskosten.