Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.[eiser sub 1] ,
[eiser sub 2],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 4 oktober 2017 met de daarin vermelde stukken,
- de akte overlegging producties, genummerd 11 t/m 14 van [eisers] ,
- het proces-verbaal van comparitie gehouden op 20 februari 2018.
2.Het geschil
van de door gedaagde geleden schade” lezen als
“van de door eisers geleden schade”.
€ 1.542,75 aan buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente vanaf
19 december 2015, althans vanaf 10 januari 2017, tot en met de dag der algehele voldoening, uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
3.De beoordeling
€ 50.000,--.
NJF 2008/1, ten aanzien van een beding waarbij willekeurige opvolgende verkrijgers ongelimiteerd bestuursrechtelijke rechtsbescherming werd ontzegd, met een beroep op artikel 3:40 lid 1 BW Pro nietig verklaard wegens strijd met de openbare orde. Daarbij werd geoordeeld dat tevens sprake was van strijd met artikel 17 van Pro de Grondwet omdat niemand tegen zijn wil kan worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent. In gelijke zin is door rechtbank ’s-Gravenhage, 14 november 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY3453 geoordeeld, te weten: “
Een clausule waarin, zoals in dit geval, een partij op zich neemt geen bezwaren te maken “tegen een toekomstige uitbreiding van het bedrijf van koper, noch tegen op basis daarvan aan te vragen bouw-, aanleg- en sloopvergunningen dan wel andere vergunningen of toestemmingen waartegen een rechtsgang openstaat, terwijl geen ook maar enigermate geconcretiseerd plan voor zo’n uitbreiding voor ligt, gaat te ver.(…) Tegenover rechtsopvolgers van eiser moet de bepaling in ieder geval als aantastbaar worden bestempeld: een dergelijke clausule komt in strijd met artikel 17 van Pro de Grondwet, artikel 6 van Pro het EVRM en artikel 14 van Pro het BUPO-verdrag en is aldus nietig op grond van artikel 3:40 lid 2 BW Pro.”
“Daarmee is niet gezegd dat het beding per definitie in strijd is met de openbare orde. Dat is wel het geval voor een beding met een strekking als waarvan in dit geval sprake is. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de wijze waarop door het beding rechtsbescherming wordt onthouden onaanvaardbaar moet worden geacht wegens strijd met fundamentele rechtsbeginselen. Appellant heeft betoogd dat in literatuur en rechtspraak aanknopingspunten zijn te vinden voor enige ruimte voor een dergelijk beding (daarin ook wel aangeduid als ‘monddoodclausule’). Ook indien dat het geval is, moet worden vastgesteld dat het beding waar het hier over gaat in ieder geval niet binnen die ruimte te brengen is, nu het gedurende geruime tijd rechtsbescherming onthoudt ten aanzien van het gebruik van het pand.”.
- vast recht € 883,00
€ 1.788,00(2 punten x € 894,00; tarief IV)
Totaal € 2.671,00
4.De beslissing
€ 2.671,00 te voldoen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
- € 131,00 aan salaris advocaat,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis;