Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[gedaagde 2],
[gedaagde 3],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 20 september 2017 en de daarin vermelde stukken
- het proces-verbaal van comparitie van 14 maart 2018 en de daarin vermelde stukken.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze civiele bodemzaak vordert eiseres dat de vennootschap onder firma (VOF) een aanvullende derdenverklaring aflegt over de rechtsverhouding met een vennoot, en dat de VOF en haar vennoten hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag dat voortvloeit uit die verhouding. Eiseres betwist de door de VOF afgelegde derdenverklaring waarin wordt gesteld dat de VOF op het tijdstip van het beslag niets aan de vennoot verschuldigd is, mede op grond van een negatief kapitaal.
De rechtbank stelt vast dat eiseres een executoriale titel heeft tegen de vennoot en dat zij derdenbeslag heeft gelegd op het vermogen van de VOF. De rechtsverhouding tussen de vennoot en de VOF is gebaseerd op een vennootschapsovereenkomst waarin is bepaald dat de vennoot geen recht heeft op periodieke loonbetalingen maar op een voorwaardelijk winstaandeel, en dat opnamen uit de kas als schuld van de vennoot aan de VOF worden geboekt.
Uit de stukken volgt dat de vennoot op het moment van beslag meer opnamen had gedaan dan zijn winstaandeel, waardoor er geen positieve vordering van de vennoot op de VOF bestond. De rechtbank oordeelt dat de derdenverklaring deugdelijk is en dat eiseres onvoldoende concrete feiten heeft gesteld om het tegendeel te bewijzen. De vorderingen worden afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt eiseres in de proceskosten.