Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, wonend in de Verenigde Staten, ontving Nederlandse AOW- en pensioenuitkeringen en had tot en met 2014 gekozen voor een behandeling als binnenlandse belastingplichtige op grond van het oude artikel 2.5 Wet IB 2001. Per 1 januari 2015 werd deze regeling vervangen door de regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen (artikel 7.8, zesde lid, Wet IB 2001), waarbij alleen inwoners van bepaalde landen in aanmerking komen voor binnenlandse behandeling.
Belanghebbende stelde dat de wetswijziging discriminerend was omdat hij de persoonsgebonden aftrekpost van de pensioenaanspraak van zijn ex-echtgenote niet meer kon toepassen, wat volgens hem leidde tot ongelijke behandeling ten opzichte van inwoners van Nederland of de in de regeling opgenomen landen. De rechtbank oordeelde dat deze ongelijke behandeling objectief en redelijk gerechtvaardigd is vanwege uitvoerbaarheid en eenvoud van de wetgeving, en dat er geen sprake is van verboden discriminatie op grond van het EVRM, IVBPR of het belastingverdrag tussen Nederland en de VS.
De rechtbank wees ook het beroep op het non-discriminatieartikel in het belastingverdrag af, omdat dit artikel ziet op belastingheffing door de andere staat en niet op Nederlandse heffing. Verder kon de rechtbank geen tegemoetkoming bieden voor de door belanghebbende als onbillijk ervaren situatie, aangezien de hardheidsclausule exclusief aan de Minister van Financiën is voorbehouden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Belanghebbende heeft geen recht op persoonsgebonden aftrek als binnenlandse belastingplichtige over 2015; beroep ongegrond.