Belanghebbenden, een echtpaar en directeuren van twee BV's, kochten een onbebouwd perceel grond dat zij bestemd achten als bouwterrein voor een woning en een nertsenfarm. Zij betaalden overdrachtsbelasting, maakten bezwaar en vorderden teruggave op grond van artikel 15, lid 1, onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR), stellende dat het perceel een bouwterrein is in de zin van de Btw-richtlijn.
De inspecteur wees de bezwaren af, stellende dat het perceel geen bouwterrein was. De rechtbank stelde vast dat het perceel ten tijde van de levering onbebouwd was en belanghebbenden aannemelijk hebben gemaakt dat zij de intentie hadden om erop te bouwen, zoals blijkt uit de koopovereenkomst, leveringsakte en het feit dat bouw werd uitgesteld vanwege een nog hangende vergunning voor een aangrenzend perceel.
De rechtbank oordeelde dat het perceel daarom als bouwterrein in de zin van de Btw-richtlijn moet worden aangemerkt, waardoor de samenloopvrijstelling van toepassing is en overdrachtsbelasting niet verschuldigd is. De beroepen werden gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en teruggave van de betaalde overdrachtsbelasting toegewezen. Daarnaast werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten.